Itter

      Geen reacties op Itter

Itter is een zeer oude waternaam die verspreid wordt aangetroffen in het Nedersaksisch taalgebied. Itter-beken komen (modern) nog voor in; Limburg, Waals-Brabant, Antwerpen, Overijssel, Hessen, Düsseldorf. In Noord-Brabant is de waternaam niet overgeleverd. Historisch wordt ‘ítter’ in de 16e eeuw aangetroffen als persoonsnaam en toponiem bij de watermolen op het riviertje de Rips te Gemert. Mogelijk in de betekenis van een beheerder van een waterbeemd. Een andere mogelijkheid is dat het een migratienaam betreft afgeleid van ‘een persoon afkomstig uit de plaats Itter’.

Schönfeld noemt de waternaam Itter waarschijnlijk Keltisch *It-ara (snel stromend). Krahe (1956) en Greule (2013) gaan uit van de Germaans betekenis (zwellend, gezwollen water). Daarmee zou de naam duiden op het ‘buiten zijn oever treden’. Ook nu gebruiken we de term ‘gezwollen’ nog voor een rivier die na regen snel in waterhoogte. Uit de verspreiding blijkt dat itter-namen in zowel in Keltisch als Germaanse taalgebied bijna onveranderd zijn opgetekend vanaf de 8e eeuw. Volgens Pokorny (1959) en Greule (2013) is itter verwant met modern etter uit dezelfde Indo-Germaanse wortel oid- ‘zwellen’.

Ytter/Yttre/Idre komt modern voor in de Noord-Europese talen, in de betekenis van ‘buiten’ of ‘buitenste’. Yttervatten betekent in modern Noors buitenwater (oppervlaktewater). Ook in het Oudnederlands komt itter voor in de betekenis van buiten(ste), uiter(ste).

Plaatsbeschrijvingen

  1. Itterbeek (Neeritter, provincie Limburg) De Itterbeek is een zijrivier van de Maas die stroomt door de provincies Belgisch- en Nederlands-Limburg. Oudste waarneming aliam Iteram que dicitur nova (1143, kopie 13e eeuw). Stroomopwaarts in België gelegen ouder Opitter, voor het eerst vermeld in 1143 et alia Itera quae dicitur nova (Itter en Nieuw-Itter). Benedenstrooms voor uitmonding in de Maas Ittervoort, Itervort (1252) waaruit blijkt dat de plaatsnaam oorspronkelijk een waternaam betreft.
  2. Itterbeek (Lier, provincie Antwerpen) Ontspringt op het grenspunt Berlaar, Putte en Beerzel. Stroomt bij Lier in de Nete. Oudste vermeldingen stammen uit de 12e eeuw; Itrebecche (1176), Itterbeke (1343).
  3. Itterbeek (Itterbeck, Grafschaft Bentheim, deelstaat Nedersaksen). De Itterbeek stroomt bij Geesteren (Overijssel) naar Nederland en mondt uit in de Broekbeek en het Geesterse Stroomkanaal.
  4. Itter (Diemel, deelstaat Hessen) Itterbecke (1507) Itterlarun (952).
  5. Itterbach (Benrath, Stadt Düsseldorf) Curiam Itre (1259), Itere (1274), Itter ( 1346) Itterbach (1555).
  6. Itter (Korbach, deelstaat Hessen). Itterburg (793), Pago Itterga (1043), Itre riuu (1250), An der Itter (1353).
  7. Etterbeek (Brussel. Oudste waarneming Ietrebecca (1127).

De Itterman (Gemert)

Het toponiem ‘ltterman’ is in Noord-Brabant één keer aangetroffen als eigennaam en naam van een huis en hof bij de watermolen op de Rips te Gemert. Naast de woning bevond zich een tweede woning met de naam ‘Waterbeemd’. Beide percelen worden vanaf eind 15e eeuw vaak in een adem genoemd en waren gesitueerd bij of aan de Watermolen. Er zijn te weinig bronnen om te kunnen aantonen dat Itterman hier zou kunnen duiden op het kunstmatig bevloeien/onderlopen van land met opgeleid water. Meer waarschijnlijk is dat het een migratienaam betreft.

Het oude kasteel, de molen (1207) en de omliggende gronden waren in bezit bij de Heer van Gemert en kwamen eind 14e eeuw in bezit van de Duitse Orde. Dat de functie van Itterman niets met de molen zelf te maken heeft, blijkt uit het feit dat de watermolen (met de vloed) door de Duitse Orde gescheiden werd verpacht van de waterbeemd en de daarbij horende waterhuishouding. Wat niet betekende dat de molenaars zelf geen pachter konden zijn. In 1415 was een zekere Henrick die Moller ook pachter van de Vloedakker. Er was (zoals bij bijna alle watermolens) sprake was van een systeem waarbij grasland werd bevloeid met beekwater (waterbeemd). Het bevloeien van grasland is een eeuwenlang landbouwkundig gebruik, dat al door de Romeinen werd toegepast.

Eind 15e eeuw wordt Marij van Ytteren genoemd als eigenaresse van een woning aan de Rips.  Begin 16de eeuw komt de naam Itterman in beeld voor de woning. In 1550 wordt in een acte gesproken over een ‘breden graef aenden ltterman’. De molen is dan nog actief. In 1616, nadat de watermolen al buiten gebruik was gesteld, verkocht commandeur Hendrik van Holtrop een huis en hof geheten den Waterbempt, met het akkerland daarbij geheten den Itterman. In deze akte werd ook herinnerd aan het recht dat bij dit huis hoorde, namelijk om “water van de molengraeff naar de Rups af te halen naar de sloot neven den Itterman”.  De bevloeiingssystemen zijn ook daarna nog in stand gebleven. Opgravingen (T. de Jong, 1999)  hebben aangetoond dat ter plaatse van waterbeemd een lossluis of een dijkoverlaat moet zijn geweest die aansloot op de boven genoemde tochtgraaf naar de Rips.

Ook op de rechteroever van de Rips was sprake van een afwatering en mogelijk ook bevloeiingssysteem. Een mooi voorbeeld daarvan is de uitgifte van de ‘Hoeve Ter Watermolen’ in 1407. Deze hoeve grenst met haar landerijen aan de noordzijde van het molenwiel, de watermolen, de sluis en de vloed. De erfpachter, Gheryt Scheynken krijgt daarbij het onderhoud van het dijklichaam en de afwateringsgracht de Rijt, die vanaf de sluis van de watermolen, dwars door zijn landerijen loopt ‘dien waterganc vanden sluse neder tot Heynen auedens erve toe, dat sal Gheryt ende sijn naecomelinge, alsoe rumen ende graven dat dat water sijnen ghanc gaen mach’. Deze Rijt volgde een tracé zoals nu in de moderne situatie de Rips wordt omgeleid naar de Peelseloop.

Bron: A. Otten (1998)

Bronnen:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *