Laak

      Geen reacties op Laak

Laak is een algemene waternaam die vooral in Zuid-Nederland en Vlaanderen nog talrijk voorkomt. Naast Laak ook Laeck, Laca, Lake, Leek, Lek, Lecke en Lits. In het grote rivierengebied hebben laaknamen vaak bettrekking op oude en meestal verlande stroombeddingen. Aangetoond is dat de waternamen Leek, Laak en Lek regelmatig met elkaar van naam wisselen. In 777 schenk Karel de Grote het ‘oeverrecht’ van de Lek (Lokkia) aan de kerk van Trecht. Dezelfde Lek komt in de 9e eeuw voor als Fluvium Laca  op een lijst van goederen van de Utrechtse kerk. De Oude Wetering (Weurt, Gld.) wordt in 1262 vernoemd als Lakam Imperii. De grootste verspreiding van laak-namen vindt plaats in de 13e tot 15e eeuw. Vanaf de 15e eeuw worden de laaknamen op veel plaatsen verdrongen door moderne waternamen als loop en lei/leij. Bekende laaknamen zijn overgeleverd in plaatsnamen; Lexmond (Lakesmunde) ofwel monding van de Laak, Medemblik (Medemo-laca) ofwel de Midden-Laak, Hoevenlaken (Hoflake). In Drenthe Rustlake en Mussellake.

 

Laak

De Laak  bij de Poeijersdwarsstraat in Eindhoven (1965).

Behalve in de betekenis van rivier komt laak ook voor in de betekenis van meer, plas, poel, of onder gelopen land. Deze betekenis is in de Engelse taal overgeleverd in het woord (lake = meer). Zie hiervoor ook het artikel onder de waternaam Blaak (Barlake). Zoals bij veel andere waternamen zal laak als waternaam in eerste instantie zijn gebruikt zijn voor het (natte) land zelf en pas daarna voor het water. In het noorden van de Baronie van Breda komt laak vooral voor in de betekenis van natuurlijke ontwatering van veengebieden. Na de Elisabethvloed zijn deze laken soms veranderd in getijdekreken, waarbij de oorspronkelijke betekenis is vergeten.

Op zandgronden in beekdalen komen laken voor als (gegraven) waterlopen die parallel aan een beek lopen. Door aan de rand van het beekdal een laak te graven, kon het kwelwater van die hogere gronden worden afgevangen waardoor de beemdgronden konden worden gebruikt voor agrarische productie. Er zijn in Noord-Brabant enkele tientallen (meestal historische) voorbeelden van, in Vlaanderen zijn het er honderden. Van Gorp (1936) noemt voor het stroomgebied van de Grote Nete en de Demer de vele Sluislaken, Molenlaken, Schepaeke die speciaal gegraven zijn voor de voeding van watermolens. In de stad Lier worden in 1719 bijna alle bijrivieren laken of hulpen genoemd ‘Wesende deselve rivierkens (bedoeld worden de laken) expresselyk genaempt hulpen omdat sy syn gemaeckt tot soulageringe de bempden’.

Naast laak komt in Brabant zeldzaam ook leek voor. Het is een oorspronkelijk Germaans kustwoord dat voorheen zeer plaatselijk dieper landinwaarts voor kwam. Vooral in Noord-Holland komen veel historische leek-namen voor, in Friesland is de lits vorm algemener. De etymologische verklaring van laak/leek/lits is een gegraven waterloop dienende tot afwatering van stilstaande wateren. In de oorspronkelijke Germaanse betekenis sluit de betekenis het best aan bij de werkwoorden ‘lekken, druppelen, doorsijpelen’.

Laak in de betekenis van grenswater

Regelmatig komt Laak voor in betekenis van een grenswater. In Overijsselse marckeboeken wordt laeck gebruikt als synoniem voor scheijding. Zo ook het begrip lakeboom mogelijk in de betekenis van insnijding in een grensboom/grenssteen. Ook voor diverse Brabantse laken is de combinatie van waternaam regelmatig met grens van toepassing. Zie Schönfeld (1955).

Plaatsbeschrijvingen:

Laak, Lakerloop (1)

De Lakerloop of Rielseloop ontspringt ten noorden van de Strabrechtsche Heide in de Kleine Zegge, nabij het gehucht Riel (tussen Geldrop en Eindhoven). Bij de aanleg van het Eindhovens Kanaal werd het riviertje omgeleid en stroomde langs het havenhoofd van het kanaal naar de Dommel. Het beekje is nu grotendeels opgegaan in de stad Eindhoven, waarvan het stadsdeel Lakerlopen herinnert aan de oude naam van dit beekje. Inmiddels is van het stroompje de Laak praktisch niets meer bovengronds te zien, alleen het laatste stukje waar het beekje op het terrein van ‘villa De Laak’ uitmondt in de rivier Dommel, bestaat nog. Tot 1920 vormde het riviertje de Laaker Loope de grens tussen de gemeenten Stratum en Tongelre en tevens de grens van de Meierij-kwartieren Kempenland (Eindhoven) en Peelland (Helmond). Zie verder in dit artikel ook voor de betekenis als grenswater.

Laak, Laakse Vaart (2)

De Laakse Vaart ontstaat ten NO van Sprundel als Heivaartje en stroomt in noordelijke richting naar de rivier Mark. In 1268 verleende de heer van Breda een afzonderlijk recht (bekend als het Hoevense Charter) aan het gebied ten noorden van het huidige Leur. Een afzonderlijk recht om de cultivering van en de immigratie naar het gebied te bevorderen. Vanaf 1613 is in archiefstukken het bestaan van de polder De Hoge en Lage Hillekens bekend en wordt voor het eerst de Laakse Waard genoemd. Vanaf medio 1700 wordt gesproken over de Laakse Vaart, waarbij het Noordelijke gedeelte naar de Mark eerder nog Rioolse Vaart heet. De polders gaan in 1964 op in het waterschap De Laakse Vaart dat in 1995 opnieuw opgaat in waterschap Aa of Weerijs.

De noordelijkste punt van de grens tussen Breda en Bergen vormde  de ‘Mont van de Lake’. De uitmonding van de huidige Laakse vaart is thans nog de grens tussen de gemeenten Hoeven en Etten-Leur. Ter onderscheiding van andere wateren met de naam lake heette de Laakse vaart ook wel de Hoevense Lake. Waarschijnlijk is de Mond van de Lake identiek met de Overste Overmere, genoemd in 1279 en de Overste mare genoemd in 1312.  Als grenspunt van de Hoevense Beemden werd in 1409 ter Laekene genoemd (Van Ham, 1975).

Lake, Otterlaak (3)

Otterlake (Keen of Otterlaak) een voormalige waterloop ten noorden van Breda. ‘Alle land tussen Otterlaak en Lindonk en tussen, de Mark en de Zwaluwe, zoals de Otterlaak uit de Mark noordwaarts loopt, raaiend in de Sprang en vandaar in de Zwaluwe langs de Zwaluwe zuidwaarts tot de heerlijkheid Breda’ (1361).

Lake, Terlake  (4)

Voormalig buurtschap bij Best op de grens met Sint-Oedenrode, grenspaal bij Ten Lake/ Terlake (1311), waarschijnlijk een oude waternaam die is overgegaan op het gehucht. Voormalig loopje op de grens van Best en Sint-Oedenrode in het stroomgebied van de huidige Grote Waterloop (Dommel).

Laken, Moerlaken (5)

Voormalig moerasgebied (mogelijk oude meander van de Mark) nabij Teteringen, nu  opgegaan in de bebouwing van Breda. Watert nu af op het Gallooische Gat en vandaar naar de Mark. Tevens is het mogelijk om overtollig water via de Hoge Vucht en het gemaal aan de Moerlaken af te voeren naar de Mark. (Buiks, 1997).

Laken, Attelaken (6)

Voormalige waterloop in Etten-Leur; Attelake (1328), Attelaken (1839), Atterlaken (1936). Vergelijkbaar met de plaatsnaam Etten, Ettenon (1105) Ettelik (1326) Attelake (1326) in de betekenis ‘laten afgrazen, laten eten, het recht van beweiding (De Vries, 1997).

Attelaken (Etten-Leur). Bron Waterstaatskaart

Laken, Hintelaken (7)

Naam van een polder en tevens waterschap (1842-1942)) ten noorden van Breda aan de Mark. De 1e woorddeel ‘hinte’ verwijst naar ‘achter’, waarmee wordt aangeduid dat de gronden achter de kade van de rivier Mark worden ontwaterd via een laak.

Samen met 9 andere polders is hieruit in 1942 het waterschap ‘Haagse Beemden ontstaan; Abroek, Hintelaken, Asterd, Buitendijks Slangwijk, Lange Bunders en Slangwijk, Rooskensdonk, Hooijendonk-Werft-Kraaijennest, Weimeren, Halle en Strijpen, Polder van Zwartenberg en Oostpolder onder Etten-Leur. Afwaterend op de Halse Vliet, via gemaal Halle op de rivier de Mark. Per 1januari1986 ging het waterschap samen met waterschap De Laakse Vaart op in een nieuw waterschap genaamd De Markgronden. Nu waterschap Brabantse Delta. (G.J. Rhem, 1952).

Lake, Hesselake (8)

Voormalige waternaam voor de huidige Rietsloot of Rietvaart in het stroomgebied van de Nieuwe Roosendaalsche Vliet (ten zuiden van Oud Gastel). De Hesselake vormde oorspronkelijk de natuurlijke afwatering van het Doorlechterveen. De naam van de waterloop komt nog terug in de gehuchtnaam Overesselijk, over Hesselake (1359). (Van Loon, 1963) (Leenders, 2005).

Leek (9)

Leek is de naam van een voormalig waterschap opgericht in 1873. Het omvat de moerassige landen tussen de rivieren Aa en de Kleine Aa ten oosten van Boerdonk. Het toponiem Leek betreft een broekgebied met zeer oude hooilanden.

De polder Leek Topografische kaart (1897)

Leek, Op’t Leecke (10)

Oude naam van het dorp Ledeacker dat tot in de 18e eeuw ‘Op het Leecke’ werd genoemd. Nu nog voortlevend in de naam van de Ledeackerse Beek. Deze beek vormt samen met andere oostelijk peelbeken nu de oorsprong van de Lage Raam. Zie uitgebreid artikel over de Ledeackerse Beek.

Afbeelding: Detail van de kaart van het Peelgebied met de drie bronbeken van de Oeffeltse Raam. Met vermelding Op Leecke.

 link naar de grote kaart voor het Peelgebied (1664)

Historische veldnamen met laak/leek

  • Rielake, 1468: bij de Vonderdijk in Nispen.
  • Laakbeemd, 1701: Laeckbeemt, Strijbeek aan de Mark.
  • de Laak, 1713: de Laeck, Notsel aan de Mark.
  • Laakbeemd, 1746: de Laakbeemt, Notsel aan de Mark.
  • Laekbeemd, 1619, Bouvigne aan de Mark.
  • Lake, 1492: Beempdeken aenden clockwiele metten Laken, Ginneken aan de Mark.
  • Laak, 1800: de Laak, Galder aan de Mark.
  • Laakkeersel, 1730, Kersel aan de Mark.
  • de Lakes, Laag gelegen weiland in Bladel
  • de Laken te Heeze
  • de Lakstéei in Lage Mierde
  • beemd geheiten den laecbeemd in Sint-Oedenrode (1423)
  • de prato dicto laecmeent (Tongelre (1418)
  • den overlaexsschen ecker (Stiphout (1396)
  • de beeclaeecker Liempde (1396)
  • tegen de Moerlaak in Son (1772)
  • de Laakvelden: Bladel (1866)

Geraadpleegde bronnen:

  • Kempeneers, Hydronymie van het Dijle- en Netebekken (1982)
  • M. Schonfeld, Nederlandse waternamen. Amsterdam: N.V. Noord-Hollandsche Uitgeversmaatschappij, 1955.
  • Van Gorp, Riviernamen in de Kempen, bijlage 10. Mededeelingen, jaargang 12, Uitgegeven door de Vlaamse Toponymie Vereeniging te Leuven (1936)
  • P.A.F. van Veen en N. van der Sijs, Van Dale Etymologisch woordenboek (1997)
  • De Vries, Nederlands Etymologisch Woordenboek (1971)
  • K.A.H.W. Leenders, Cultuurhistorisch overzicht van het landinrichtingsgebied Ulvenhout – Galder (1990)
  • Mansion, Oud-Gentsche naamkunde (1924)
  • A.P. De Bont,  Dialekt van Kempenland, Deel 3 (1969)
  • BHIC, Schouwverbalen (1772)
  • Vriens, 1997. De archieven van het waterschap De Laakse Vaart en zijn voorgangers. (1550-1985)
  • C. Buiks, Laatmiddeleeuws landschap en veldnamen in de baronie van Breda (1997)
  • G.J. Rhem, De voorgeschiedenis van de oprichting van het Waterschap De Haagse Beemden (1952)
  • J.B. van Loon, Water en waternamen in Noord-Brabants zuidwesthoek (1963)
  • K.A.H.W. Leenders, Hoe zit Gastel in elkaar (2005)
  • W.A. van Ham, Breda contra Bergen op Zoom: vijf eeuwen strijd om de grenzen, in Jaarboek De Oranjeboom 28 (1975)
  • J.C de Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Strijen 1290 – 1650, in ‘Ons Voorgeslacht’, jrg. 34 (1979)
     

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *